Paardensport en de vennootschap: fiscaal mijnenveld of verdedigbare structuur?
- 19 apr
- 7 minuten om te lezen
De paardensport is zelden een goedkope aangelegenheid. De aankoop van een paard, de kosten voor stalling, voeding, dierenarts en infrastructuur lopen al snel aanzienlijk op. Het is dan ook logisch dat veel ondernemers zich afvragen of deze kosten niet binnen de vennootschap kunnen worden gestructureerd, bijvoorbeeld via een (beperkte) manège-activiteit.
Bij Arx Aurum zien wij deze vraag in de praktijk steeds vaker terugkomen. De onderliggende redenering is meestal dat zodra er enige vorm van inkomsten bestaat, de kosten ook een beroepsmatig karakter zouden hebben. In de praktijk blijkt die redenering zelden stand te houden. Zonder ernstige economische onderbouw worden dergelijke structuren quasi systematisch aangevochten door de fiscus.

Strenge rechtspraak: beperkte inkomsten volstaan niet
De rechtspraak bevestigt een bijzonder strikte benadering. Het hof van beroep te Brussel oordeelde op 24 maart 2021 (nr. 2016/AF/195) dat kosten van een paarden- of manège-activiteit volledig kunnen worden verworpen wanneer geen sprake is van een werkelijke beroepsactiviteit met een reëel winstoogmerk.
In dat dossier werd zwaar gewicht toegekend aan structurele verliezen, het ontbreken van een professionele organisatie en een gebrek aan commerciële inspanningen. De aanwezigheid van beperkte inkomsten volstond niet om het beroepsmatig karakter te onderbouwen. In onze ervaring is dit geen uitzondering, maar veeleer de regel: zonder duidelijke economische logica is de uitkomst in dergelijke dossiers vaak voorspelbaar.
Artikel 49 WIB 92: de harde realiteit van de finaliteitsvoorwaarde
De kern van de discussie ligt bij artikel 49 WIB 92. Kosten zijn slechts aftrekbaar wanneer zij worden gemaakt met het oog op het verkrijgen of behouden van belastbare inkomsten en wanneer dit ook effectief kan worden aangetoond.
Het Hof van Cassatie heeft bevestigd dat deze toets in de vennootschapsbelasting strikt wordt toegepast (Cass. 19 maart 2020, AR F.19.0025.N). Het volstaat niet dat een kost “enig verband” vertoont met de vennootschap. De vennootschap moet aantonen dat de uitgave economisch verantwoord is en daadwerkelijk gericht is op het genereren van belastbare inkomsten. Ook het Hof van Justitie benadrukt dat de economische realiteit doorslaggevend is (HvJ 5 juli 2012, C-318/10, SIAT).
In de praktijk zien wij dat deze bewijslast vaak wordt onderschat. Een minimale activiteit zonder duidelijke strategie of rendabiliteit volstaat niet.
Artikel 53 WIB 92: wanneer kosten buiten verhouding zijn
Zelfs wanneer een activiteit als beroepsmatig kan worden aangemerkt, blijft artikel 53 WIB 92 een bijkomende valkuil. Deze bepaling laat de fiscus toe om kosten te verwerpen die buiten verhouding staan tot de economische activiteit.
Bij paarden in de vennootschap zien wij dat dit argument frequent wordt gebruikt. Wanneer de kosten voor aankoop, onderhoud en infrastructuur niet in verhouding staan tot de gegenereerde inkomsten of de aard van de vennootschap, wordt de aftrek geheel of gedeeltelijk geweigerd. De vergelijking met andere “genotsgoederen” is in de praktijk snel gemaakt.
Paarden, vennootschap en belastingen: Wat gaat er in de praktijk meestal mis?
In de dossiers die wij bij Arx Aurum behandelen, zien we telkens dezelfde patronen terugkomen. Een privépassie wordt ondergebracht in een vennootschap en achteraf juridisch onderbouwd. Zonder een duidelijke commerciële aanpak, zonder aantoonbare klantenbasis en zonder consistente inkomsten wordt een dergelijke activiteit echter zelden als economisch geloofwaardig beschouwd.
Structurele verliezen over meerdere jaren worden door de fiscus en de rechtspraak systematisch gezien als een indicatie dat het winstoogmerk ontbreekt. Daarnaast ontbreekt vaak een overtuigende link met de kernactiviteit van de vennootschap. In dergelijke omstandigheden wordt de activiteit al snel herleid tot een hobby, met een volledige verwerping van de kosten tot gevolg.
Het voordeel van alle aard: geen mirakeloplossing
Een vaak gehoorde redenering is dat het probleem kan worden opgelost door de zaakvoerder te belasten op een voordeel van alle aard voor het gebruik van het paard of de infrastructuur.
Die redenering houdt juridisch vaak geen stand. Hoewel voordelen van alle aard in principe als bezoldiging worden beschouwd (art. 32 WIB 92), heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat dit niet automatisch leidt tot aftrekbaarheid van de kosten (Antwerpen 6 februari 2018, nr. 2016/AR/1501).
De vennootschap moet nog steeds aantonen dat het voordeel verband houdt met werkelijke prestaties en kadert binnen een verantwoorde verloningspolitiek. Ook het Grondwettelijk Hof heeft bevestigd dat er geen automatische koppeling bestaat tussen de belastbaarheid van een voordeel en de aftrekbaarheid van de onderliggende kosten.
Wanneer kan het wél?
Dat betekent niet dat paarden in de vennootschap per definitie uitgesloten zijn. De aftrekbaarheid van de kosten hangt in de praktijk af van de mate waarin de activiteit als een reële economische activiteit kan worden onderbouwd, met een voldoende verband met het beroepsmatig doel van de vennootschap.
In de praktijk zal die aftrek gemakkelijker verdedigbaar zijn wanneer de paardenactiviteit op een gestructureerde en economisch onderbouwde wijze wordt georganiseerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij activiteiten zoals een handelsstal, fokkerij of manège, maar ook in andere contexten waarin kan worden aangetoond dat de activiteit kadert binnen een bredere beroepsmatige strategie en effectief (of potentieel) bijdraagt aan de inkomsten of positionering van de vennootschap. Het is dus geen gesloten categorie, maar wel een feitenkwestie waarbij de concrete invulling doorslaggevend is.
Concreet kan een dossier bijvoorbeeld worden versterkt door elementen zoals het verhuren van stallen aan derden, het ter beschikking stellen van infrastructuur of gronden voor lessen of trainingen, of andere vormen van exploitatie die inkomsten genereren of economisch nut aantonen. Dergelijke activiteiten tonen aan dat er meer speelt dan een louter privégebruik, maar zij moeten wel vooraf doordacht en coherent worden uitgewerkt binnen de globale werking van de vennootschap.
Ook wanneer paarden worden ingezet in een marketing- of representatiecontext, kan een aftrek worden verdedigd, op voorwaarde dat het verband met de beroepsactiviteit voldoende concreet wordt gemaakt. De fiscus beoordeelt dergelijke situaties doorgaans kritisch, zodat een degelijke onderbouwing essentieel is.
Belangrijk is dat deze onderbouwing niet pas achteraf wordt opgebouwd. In de praktijk verdient het sterk aanbeveling om vooraf een duidelijk en realistisch plan uit te werken waarin wordt vastgelegd hoe de paardenactiviteit zal worden georganiseerd, welke rol zij speelt binnen de vennootschap en op welke wijze inkomsten of economische meerwaarde worden beoogd. Dit kan bijvoorbeeld via een businessplan of interne nota die de economische logica van de activiteit documenteert.
Daarnaast moet ook het voorwerp van de vennootschap afgestemd zijn op de beoogde activiteit. Indien paardenactiviteiten daarin niet (voldoende) zijn opgenomen, kan dit de fiscale positie verzwakken. Een coherente afstemming tussen het statutair voorwerp en de feitelijke activiteiten van de vennootschap is dan ook aangewezen.
Zonder dergelijke voorbereiding en onderbouwing blijft het risico op verwerping door de fiscus aanzienlijk.
Conclusie: in de praktijk vaak een verloren strijd
Het onderbrengen van paarden in een vennootschap is niet uitgesloten, maar vergt in de praktijk een doordachte en goed onderbouwde aanpak. De fiscale beoordeling gebeurt streng en is in sterke mate afhankelijk van de concrete invulling van de activiteit en de mate waarin een economisch doel kan worden aangetoond.
Doorslaggevend is dat er vanaf de aanvang een duidelijke visie bestaat op de rol van de paardenactiviteit binnen de vennootschap, en op de wijze waarop deze op termijn kan bijdragen aan inkomsten of economische meerwaarde. Dat veronderstelt in de praktijk dat vooraf een coherent plan wordt uitgewerkt, waarin niet alleen de organisatie van de activiteit wordt beschreven, maar ook de rendabiliteitslogica. Winstgevendheid hoeft zich niet onmiddellijk te manifesteren, maar het moet wel aannemelijk zijn dat dit op termijn wordt nagestreefd.
Wat vaak ontbreekt in dossiers die fiscaal onder druk komen te staan, is precies die voorafgaande planning en langetermijnvisie. Het louter onderbrengen van paarden in een vennootschap, of het aankopen van een infrastructuur zoals een manège zonder duidelijke economische strategie, wordt door de fiscus doorgaans als onvoldoende beschouwd om de aftrek van de kosten te verantwoorden.
Een goed voorbereid dossier, met een duidelijke economische onderbouwing en consistente uitvoering, kan daarentegen wel standhouden. De sleutel ligt dus niet in het vermijden van dergelijke structuren, maar in het zorgvuldig uitdenken en documenteren ervan vanaf het begin.
Q&A: veelgestelde vragen in de praktijk
Kan ik mijn privépaard in de vennootschap onderbrengen als ik af en toe inkomsten genereer?
Dat kan in bepaalde gevallen, maar het volstaat doorgaans niet om louter sporadische inkomsten aan te tonen. Belangrijker is dat de activiteit kadert binnen een bredere economische logica, waarbij kan worden aangetoond dat de vennootschap effectief een activiteit ontwikkelt rond de paarden met een zekere continuïteit en structuur.
Maakt het verschil als ik belast word op een voordeel van alle aard?
Dat kan een element zijn in de globale beoordeling, maar het is op zich niet doorslaggevend. Het blijft noodzakelijk dat de vennootschap kan aantonen dat de kosten een economisch karakter hebben en passen binnen haar activiteiten. Het voordeel van alle aard kan dus ondersteunen, maar vervangt die onderbouwing niet.
Wanneer is aftrek wél mogelijk?
Aftrek is in de praktijk beter verdedigbaar wanneer de paardenactiviteit op een gestructureerde manier wordt opgezet en ingebed in de werking van de vennootschap, met een duidelijke commerciële logica. Daarbij volstaat het niet dat er louter intenties zijn: het moet ook blijken uit concrete elementen zoals organisatie, gebruik van infrastructuur, inkomstenstromen of een bredere economische strategie. Een onmiddellijk rendement is niet vereist, maar er moet wel een geloofwaardige visie zijn op hoe de activiteit op termijn waarde creëert.
Is een gedeeltelijke aftrek mogelijk?
Ja, dat is zeker een piste wanneer er zowel een privé- als een beroepsmatig gebruik is. In dat geval is het wel essentieel dat er een consistente en verdedigbare opsplitsing wordt gemaakt, bijvoorbeeld op basis van effectief gebruik, terbeschikkingstellingen of andere objectieve criteria.
Arx Aurum
Bij Arx Aurum begeleiden wij cliënten specifiek bij de structurering van paardenactiviteiten binnen een vennootschappelijke context. Daarbij combineren wij een grondige juridische en fiscale analyse met een pragmatische aanpak, gericht op het opzetten van verdedigbare structuren én het vermijden van discussies met de fiscus.
Onze ervaring beperkt zich niet tot de opzet van dergelijke structuren. Wij treden ook op in fiscale geschillen en procedures waarin de aftrekbaarheid van kosten of de kwalificatie van paardenactiviteiten ter discussie staat. Die combinatie van advies en proceservaring laat toe om dossiers van bij de start robuust op te bouwen, met oog voor de argumenten die in een latere betwisting doorslaggevend kunnen zijn.
Overweegt u om paarden onder te brengen in uw vennootschap, dan is een voorafgaande analyse essentieel. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de opportuniteit, maar vooral naar de concrete invulling en de wijze waarop de activiteit duurzaam en fiscaal verdedigbaar kan worden georganiseerd.



Opmerkingen