top of page

Verhuur van kunstwerken aan eigen vennootschap is geen simulatie

  • 1 jun
  • 6 minuten om te lezen

In het kort

De huurinkomsten uit de verhuur van kunstwerken aan de eigen vennootschap blijven belastbaar als roerende inkomsten. Het Hof van Beroep Antwerpen oordeelde dat de fiscus geen simulatie of verborgen bedrijfsleidersbezoldiging bewees. Omdat de kunstwerken effectief ter beschikking werden gesteld, de huur werd betaald en de kernvoorwaarden van een huurovereenkomst aanwezig waren, bleef de kwalificatie als inkomsten uit verhuur van roerende goederen behouden. Ook artikel 37 WIB 92 werd afgewezen (hof van beroep van Antwerpen van 17 maart 2026, 2024/AR/926).

Verhuur van privékunst aan de eigen vennootschap

Een bedrijfsleider die een private kunstcollectie bezit, kan die collectie onder bepaalde voorwaarden verhuren aan zijn vennootschap. Dat is fiscaal interessant omdat inkomsten uit de verhuur van roerende goederen, zoals kunst, in principe worden belast als roerende inkomsten. Voor dergelijke inkomsten geldt doorgaans een forfaitaire kostenaftrek van 15%, waarna het saldo afzonderlijk wordt belast tegen 30%. Daardoor bedraagt de effectieve federale belastingdruk vaak ongeveer 25,5% van de bruto huurinkomsten, vóór gemeentebelasting.

Een bedrijfsleidersbezoldiging daarentegen wordt belast tegen de progressieve tarieven in de personenbelasting, die kunnen oplopen tot 50%, vermeerderd met gemeentebelasting en sociale bijdragen. Het verschil in fiscale behandeling verklaart waarom de fiscus dergelijke verhuurconstructies kritisch onderzoekt, zeker wanneer de verhuurder tegelijk bestuurder is van de vennootschap die de kunstwerken huurt.

De feiten van het arrest

De zaak ging over een bedrijfsleider met een private kunstcollectie. De vennootschap had de kunstwerken dus niet zelf aangekocht. De bedrijfsleider verhuurde 41 kunstwerken aan zijn vennootschap. Die kunstwerken werden niet noodzakelijk allemaal tegelijk gebruikt, maar alternerend ter beschikking gesteld.

Voor die verhuur ontving hij een jaarlijkse vergoeding van 25.000 euro. De inkomsten werden aangegeven als inkomsten uit de verhuur van roerende goederen.

De fiscus stelde vragen over deze aangifte en voerde ook een controle ter plaatse uit op de maatschappelijke zetel van de vennootschap. Daar werden effectief verschillende kunstwerken aangetroffen.

Ondanks die vaststelling besliste de administratie om de huurinkomsten te herkwalificeren. Volgens de fiscus ging het niet om echte huurinkomsten, maar om een bijkomende vergoeding voor de prestaties van de bedrijfsleider.

Wat zei de fiscus?

De fiscus voerde in hoofdorde aan dat sprake was van simulatie. Volgens de administratie hadden de partijen naar buiten toe een huurovereenkomst voorgesteld, terwijl zij in werkelijkheid een bijkomende bedrijfsleidersbezoldiging wilden toekennen.

De redenering van de fiscus was duidelijk: door de vergoeding voor te stellen als huur van kunstwerken, werd die vergoeding aan een gunstiger fiscaal regime onderworpen dan wanneer zij als bedrijfsleidersbezoldiging werd belast.

Voorbeeld: 25.000 euro huur of 25.000 euro bezoldiging?

Bij een jaarlijkse vergoeding van 25.000 euro is het verschil meteen duidelijk:

  • Als roerend inkomen

    • Bruto huur: 25.000 euro

    • Forfaitaire kosten: 15%, dus 3.750 euro

    • Belastbare basis: 21.250 euro

    • Belasting aan 30%: 6.375 euro

    • Effectieve belastingdruk: 25,5%

  • Als bedrijfsleidersbezoldiging

    • Belastbare basis: 25.000 euro

    • Belasting aan hoogste progressieve tarief van 50%: 12.500 euro

Het verschil bedraagt dus 6.125 euro per jaar. Over twee aanslagjaren loopt dat op tot 17.500 euro.

In dit vereenvoudigde voorbeeld wordt abstractie gemaakt van gemeentebelasting en sociale bijdragen.

De administratie verwees daarbij naar verschillende elementen:

  • de kunstwerken zouden onvoldoende individueel zijn geïdentificeerd of geregistreerd;

  • de exacte verhuurperiodes per kunstwerk waren niet gedetailleerd bijgehouden;

  • de overeenkomst was aangegaan voor onbepaalde duur;

  • de huurprijs was forfaitair vastgesteld op 25.000 euro per jaar;

  • de kunstwerken werden niet verzekerd door de vennootschap, maar door de bedrijfsleider zelf;

  • de overeenkomst was gesloten tussen een vennootschap en haar enige bestuurder, waardoor volgens de fiscus belangenvermenging speelde;

  • de jaarlijkse bezoldiging van de bedrijfsleider was in het verleden gedaald;

  • later werd een nieuwe huurovereenkomst gesloten met gewijzigde bepalingen.

Subsidiair stelde de fiscus dat de huurinkomsten, zelfs zonder simulatie, als beroepsinkomsten moesten worden belast. Volgens de administratie ging het om een winstgevende activiteit die voldoende georganiseerd en voortgezet was om buiten het normaal beheer van privévermogen te vallen.

Wat zei het hof?

Het hof volgde de fiscus niet.

Volgens het hof moet simulatie concreet worden bewezen door wie zich erop beroept. In deze zaak lag die bewijslast dus bij de fiscus. De administratie moest aantonen dat de partijen niet werkelijk de bedoeling hadden om kunstwerken te verhuren, maar in werkelijkheid een bedrijfsleidersbezoldiging wilden toekennen.

Dat bewijs werd niet geleverd.

Het hof stelde vast dat de essentiële elementen van een huurovereenkomst aanwezig waren:

  • de bedrijfsleider was eigenaar van de kunstwerken;

  • de kunstwerken werden aan de vennootschap ter beschikking gesteld;

  • bij controle bleek dat er effectief kunstwerken aanwezig waren op de maatschappelijke zetel;

  • de vennootschap betaalde de overeengekomen huurprijs van 25.000 euro per jaar.

Volgens het hof zijn dit de kernbestanddelen van een huurovereenkomst: het genot van een goed wordt ter beschikking gesteld tegen betaling van een prijs. Zolang die elementen aanwezig zijn en effectief worden uitgevoerd, volstaan bijkomende bedenkingen niet om simulatie aan te tonen.

Het hof ging vervolgens in op de argumenten van de fiscus.

Het ontbreken van een gedetailleerde individuele registratie per kunstwerk was volgens het hof geen doorslaggevend element. De registratie per kunstwerk had betrekking op de uitvoering van de overeenkomst, niet op het bestaan van de huur zelf. Partijen konden bovendien van bepaalde uitvoeringsmodaliteiten afwijken zonder dat daardoor de volledige overeenkomst gesimuleerd werd.

Ook het feit dat de overeenkomst voor onbepaalde duur was afgesloten, maakte de huur niet ongeldig of fictief. Een huurovereenkomst blijft tijdelijk van aard, maar kan wel voor onbepaalde duur worden gesloten.

De forfaitaire huurprijs van 25.000 euro per jaar werd evenmin problematisch geacht. De prijs was contractueel bepaald en werd daadwerkelijk betaald. Het hof stelde bovendien niet vast dat die prijs onredelijk of buitensporig was.

Dat de kunstwerken door de verhuurder werden verzekerd en niet door de vennootschap, hoewel de overeenkomst anders bepaalde, leidde volgens het hof ook niet tot simulatie. De verzekering is geen essentieel bestanddeel van de huur. Het niet naleven van die contractuele modaliteit tastte dus niet automatisch de realiteit van de overeenkomst aan.

Ook de vermeende belangenvermenging overtuigde het hof niet. Het enkele feit dat de overeenkomst werd gesloten tussen een vennootschap en haar bestuurder bewijst niet dat de overeenkomst geveinsd is. Daarvoor is meer nodig. In deze zaak bleek net dat de kunstwerken effectief ter beschikking werden gesteld en dat de huur werd betaald.

De daling van de bestuurdersbezoldiging werd evenmin aanvaard als bewijs. Die daling dateerde van ruim vóór de aanvang van de verhuur van de kunstwerken. Het verband dat de fiscus wilde leggen, was dus onvoldoende overtuigend.

Tot slot kon ook de latere nieuwe huurovereenkomst met gewijzigde bepalingen geen simulatie bewijzen voor de betrokken aanslagjaren. Een latere aanpassing betekent niet automatisch dat de oorspronkelijke overeenkomst niet met de werkelijkheid overeenstemde.

Het hof besloot daarom dat de huurinkomsten niet als bedrijfsleidersbezoldigingen konden worden belast.

Geen beroepsinkomsten op grond van artikel 37 WIB 92

Ook het subsidiaire argument van de fiscus werd verworpen.

De administratie stelde dat de huurinkomsten als beroepsinkomsten moesten worden belast omdat sprake zou zijn van een winstgevende bezigheid. Het hof zag dat anders.

Volgens het hof ging het om inkomsten uit de verhuur van private kunstwerken in uitvoering van één huurovereenkomst. Dat het om 41 kunstwerken ging die alternerend ter beschikking werden gesteld, volstond niet om te spreken van een professionele activiteit.

Het hof vond geen aanwijzingen dat de verhuur een organisatie en administratie vereiste die vergelijkbaar was met een beroepsmatige exploitatie. Er was dus geen sprake van een gewone en voortgezette bezigheid die het normale beheer van privévermogen overschreed.

De huurinkomsten konden daarom niet als beroepsinkomsten worden belast op grond van artikel 37 WIB 92.

Hierbij merken we graag op dat een beroepsmatige verhuur ook verscheidende btw-problemen met zich meebrengt eigen aan kunst.

Ook interessant: fouten in het bericht van wijziging

Het arrest bevat nog een bijkomende les over het bericht van wijziging van aangifte.

De belastingplichtige voerde aan dat het bericht van wijziging onvoldoende of tegenstrijdig gemotiveerd was. De fiscus stelde immers in hoofdorde dat de huurinkomsten gesimuleerde bedrijfsleidersbezoldigingen waren, maar in ondergeschikte orde dat dezelfde inkomsten als winsten moesten worden belast.

Het hof aanvaardde dat argument niet.

Volgens het hof maakt een eventuele fout of tegenstrijdigheid in een bericht van wijziging niet automatisch een schending uit van de motiveringsverplichting. Dergelijke elementen kunnen tijdens de verdere bespreking tussen de belastingplichtige en de administratie nog worden verduidelijkt of rechtgezet.

Belangrijk is dat de belastingplichtige voldoende duidelijk weet welke feiten, cijfers en redenen de fiscus aanvoert, zodat hij zich daartegen kan verdedigen. In deze zaak was dat volgens het hof het geval.

Waarom is dit arrest belangrijk?

Dit arrest is belangrijk omdat het bevestigt dat de fiscus bij de verhuur van privégoederen, zoals kunst of andere luxegoederen, aan een eigen vennootschap niet kan volstaan met vermoedens. Simulatie moet worden bewezen.

De band tussen een bedrijfsleider en zijn vennootschap is op zichzelf onvoldoende. Ook onvolkomenheden in de uitvoering van een overeenkomst leiden niet automatisch tot fiscale herkwalificatie. De vraag blijft of de essentiële elementen van de overeenkomst werkelijk zijn uitgevoerd.

Voor de praktijk betekent dit dat de verhuur van kunstwerken, of andere roerende goederen, aan de eigen vennootschap mogelijk blijft, maar goed moet worden onderbouwd. Een correcte overeenkomst alleen volstaat niet. De feitelijke uitvoering moet kloppen.

Wat moet u onthouden?

De verhuur van privékunst aan de eigen vennootschap is fiscaal mogelijk, maar vraagt een zorgvuldige aanpak.

In de praktijk zijn vooral volgende elementen belangrijk:

  • bewijs dat de bedrijfsleider effectief eigenaar is van de kunstwerken;

  • een duidelijke huurovereenkomst;

  • effectieve terbeschikkingstelling aan de vennootschap en effectieve aanwezigheid of gebruik van de kunstwerken binnen de vennootschap;

  • effectieve betaling van de huurprijs;

  • een verdedigbare waardering van de huurprijs;

  • voldoende documentatie over de uitvoering van de overeenkomst.

Het arrest is gunstig voor de belastingplichtige, maar mag niet te ruim worden gelezen. Het hof beslist op basis van de concrete feiten. Wanneer de kunstwerken niet aantoonbaar aanwezig zijn, de huurprijs overdreven is of de overeenkomst enkel op papier bestaat, kan de fiscus nog altijd proberen herkwalificeren.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page